Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning

Download fulltext
208

S& D Jaargang 72 Nummer 1 Februari 2015
32
Dienstencheques:
een vraagstuk van erkenning
Zouden dienstencheques voor hulp in het huishouden in
Nederland een nuttig instrument zijn? In België is men tevreden.
FRANK VANDENBROUCKE
Hoogleraar KU Leuven en bekleder van de Den Uyl-leerstoel aan de UvA
Aan de invoering van de Belgische dienstencheques
ging in 2003 een intens debat vooraf.
Hoogoplopende meningsverschillen binnen
de regering-Verhofstadt II werden pas beslecht
nadat ik dreigde mijn portefeuille als
minister van Werk ter beschikking te stellen.
Opmerkelijk genoeg werd het stelsel van de
dienstencheques, waarvoor enkele taboes
moesten sneuvelen, in de jaren die volgden
een heilige koe. Inmiddels verdedigen de criticasters
van destijds de cheques eveneens met
verve. Toen ik in 2010 opperde dat het tijd
werd om de prijs te verhogen, stuitte ik op een
muur van verontwaardiging. Hoewel de prijs
voor de overheid intussen wel degelijk verhoogd
is, was de politieke weerstand tegen
ingrepen in het populaire systeem groot.
Het trilemma van de jaren negentig
Het stelsel van de dienstencheques was nooit
bedoeld als perfect en probleemloos schema.
Ik beschouwde het als een poging om een antwoord
te bieden op een door politiek wetenschappers
Torben Iversen en Anne Wren geformuleerd
trilemma.1
Welvaartstaten konden
volgens hen niet tegelijkertijd:
▶ meer werkgelegenheid creëren;
▶ een rechtvaardige loonspanning handhaven;
en
▶ de overheidsuitgaven beheersen.
Men zag zich dus gesteld voor een trilemma.
Meer werkgelegenheid veronderstelde immers
meer jobs in de dienstensector. Juist
daar is de scheiding tussen hoogbetaald — financiële
sector en consultancy — en laagbetaald
— horeca en schoonmaak — erg groot.
Wie meer werkgelegenheid nastreeft in de
private dienstensector en de overheidsuitgaven
laag wil houden, zal dus een groeiende
loonongelijkheid moeten aanvaarden.
Acceptatie van groeiende ongelijkheid was
volgens Iversen en Wren het Angelsaksische
antwoord op het trilemma. Vanzelfsprekend
zijn er beleidsalternatieven. Maar dat vraagt
een grote budgettaire inspanning; het traditionele
Scandinavische model koos die weg,
met omvangrijke investeringen in de publieke
sector. Men kan ook de voorrang geven aan
gelijke loonontwikkeling en budgettaire voorzichtigheid,
en daarom een minder dynamische
ontwikkeling van de werkgelegenheid
aanvaarden; dit was het traditionele antwoord
van de meeste continentale welvaartsstaten.
Alhoewel het intussen betwist is of de algemene
stelling van Iversen en Wren nog wel
S& D Jaargang 72 Nummer 1 Februari 2015
33
Frank Vandenbroucke Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning
VIJF RECEPTEN VOOR BETER WERK
geldt voor de toekomst, gebruik ik deze hier
toch als een kapstok voor mijn verhaal.
Belgisch antwoord op trilemma:
dienstencheques
De dienstencheques vormen een subsidie voor
laaggeschoold werk die loopt via de consument.
Je kunt als klant één uur hulp bij het
schoonmaken betalen met een cheque die
bruto € 9 (of € 10) kost. De cheque komt vervolgens
terecht bij een bedrijf dat huishoudelijke
hulp organiseert door werknemers uit te sturen.
Het bedrijf ontvangt dan in ruil voor elke
cheque € 22 van de overheid. De overheid betaalt
dus de resterende € 13 (of € 12).
Met € 22 per uur kan het bedrijf fatsoenlijke
arbeidsovereenkomsten aanbieden aan
schoonmakende werknemers. Boven op het
brutoloon, dat ongeveer € 11 per uur bedraagt,
moet de werkgever immers nog werkgeversbijdragen
en andere kosten dragen. In 2012
bedroegen de gemiddelde ‘loonkosten per
cheque’ voor de werkgevers € 20,49 en de uiteindelijke
‘winst per cheque’ € 0,33. De overheid
wint een deel van haar subsidie terug
dankzij de bijdragen en belastingen die betaald
worden op het loon van de huishoudelijke
hulp.
Voor mij waren er drie belangrijke voorwaarden:
we aanvaarden geen tweedeling in
de sociale zekerheid of bij toepassing van minimumlonen;
er wordt een driehoeksmodel
opgebouwd, waarbij tussen klant en schoonmaker
een bedrijf staat; en de activiteiten
waar het om gaat worden strikt afgebakend,
maar de toegang — qua klanten en werknemers
— is volledig open voor iedereen.
Geen tweedeling voor de sociale zekerheid
Nederlandse gezinnen kunnen huishoudelijke
hulp organiseren op basis van de ‘Regeling
dienstverlening aan huis’. Onder deze
regeling hebben werknemers maar beperkte
sociale rechten. Ze hebben wel recht op het
minimumloon, beperkte doorbetaling bij
ziekte en een vakantietoeslag, maar ze zijn
niet automatisch verzekerd in het kader van
werknemersverzekeringen en bouwen geen
pensioen op.2
Net zoals het geval is met de Duitse minijobs,
creëert de regeling voor de sociale zekerheid
twee soorten werknemers: de meerderheid
die wel volledig recht heeft op de
verworvenheden van de welvaartstaat en een
minderheid voor wie die toegang beperkt is.
De wijze waarop Nederland dit organiseert is
in strijd met het verdrag van de Internationale
Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties
uit 2011. Nederland kan dit verdrag daardoor
niet ratificeren. Als reactie op deze vaststelling
is zelfs de commissie ‘Dienstverlening aan
huis’ in het leven geroepen.
Een cruciale motivatie voor het Belgische
stelsel van dienstencheques is juist dat we
weigerden om voor de sociale zekerheid twee
soorten werknemers te creëren. Een dergelijke
tweedeling is op termijn een slechte zaak voor
de samenleving. Schoonmaaksters moeten
ook kunnen genieten van dezelfde regelingen
inzake minimumlonen.
Anderzijds pleitte ik voor extra flexibele arbeidscontracten
waar de arbeidstijdregelingen
(met banen van slechts enkele uren) en opeenvolgende
contracten van bepaalde duur mogelijk
waren. Deze afwijkingen van het normale
arbeidsrecht lagen bijzonder gevoelig. Het was
dan ook een van de redenen dat de linkervleugel
van regering en parlement twijfelde.
Om een krachtig alternatief te hebben voor
zwartwerken, dat per definitie ultra-flexibel is,
moeten arbeidsovereenkomsten met name in
de opstartfase zeer flexibel kunnen zijn. GeleiVoor
9 euro bruto heb je
een uur hulp in huis
S& D Jaargang 72 Nummer 1 Februari 2015
34
delijk zal de druk in de sector toenemen om
steeds meer schoonmakende werknemers
klassieke contracten van onbepaalde duur aan
te bieden.
Deze zet heeft zich inmiddels uitbetaald:
47% van de banen is intussen gebaseerd op
contracten van onbepaalde duur en de gemiddelde
arbeidstijd is toegenomen. Of een Nederlandse
variant van de dienstencheques
zo’n ‘extra flexibiliteit’ nodig zou hebben, valt
sterk te betwijfelen. In tegenstelling tot België
laat Nederland veel meer flexibiliteit toe, met
name bij tijdelijke banen.
Buffer tussen consument en schoonmaker
Met de dienstencheques kozen we uitdrukkelijk
voor een professionele intermediair die
tussen klant en huishoudelijke hulp optreedt.
Het Nederlandse kabinet wijst dat a priori af.
Men vreest dat er te veel subsidie opgaat aan
kosten en winsten van de intermediaire bedrijven
en dat er daardoor weinig geld bij de
werknemer terechtkomt. Een derde laag toevoegen
zou ineffectief en inefficiënt zijn.3
Dit is een vreemde redenering. Het intermediaire
bedrijf neemt immers niet alleen
allerlei administratieve rompslomp over,
maar zorgt ook voor ‘risicopooling’. Het risico
dat je gedurende een bepaalde periode het
loon van een zieke werknemer moet doorbetalen,
wordt in een bedrijf gespreid en is daardoor
een relatief voorspelbare constante kostenfactor.
Voor een particulier die slechts één
werknemer in dienst heeft, levert ziekte een
enorm probleem op. Een bedrijf als tussenpersoon
creëert nog andere voordelen voor de
consument: het garandeert continuïteit van
dienstverlening bij ziekte of vertrek van de
dienstenchequewerknemer, het heeft belang
bij reputatiebewaking en dus bij kwaliteit, en
daarnaast worden de kosten van screening en
controle voor de consument verminderd.
De gedachte dat subsidies ‘blijven plakken’
bij intermediaire organisaties, lijkt me ook
niet gegrond. Aanvankelijk realiseerden de
dienstenchequebedrijven in België grote
winstmarges, maar in 2012 bedroeg de ‘winst
per cheque’ slechts 33 eurocent.
Ook al neemt de overheid administratieve
lasten over en wordt de tewerkstelling goedkoop
gemaakt, het model waarbij de particulier
zelf de werkgever is van de schoonmaakster
blijkt in Duitsland en Nederland niet te
werken. In Duitsland is het aantal mini-jobbers
dat schoonmaakt bij particuliere gezinnen
met 285.000 bijzonder beperkt gebleven.
De in Nederland ingevoerde Regeling dienstverlening
aan huis veronderstelt allereerst dat
particuliere gezinnen op de hoogte zijn van
regelingen die normaal gesproken tot de administratieve
kennis behoren van personeelsdiensten
van bedrijven. Bovendien gaat de
Regeling ervan uit dat gezinnen bereid zijn
om typische werkgeversrisico’s op zich te nemen
die zij in tegenstelling tot werkgevers
niet kunnen spreiden over meerdere werknemers.
Het is een illusie te denken dat dit opgelost
kan worden door marginale wijzigingen.
Waar de Regeling dienstverlening aan huis
wel toegepast wordt, lijkt ze belastingfraude
overigens niet tegen te kunnen houden. Hoewel
ook het Belgische dienstenchequesysteem
in het begin fraudegevoelig was, hebben recente
aanpassingen voor verbetering gezorgd.
Intuïtief denk ik overigens dat het eenvoudiger
is om enkele duizenden bedrijven te controleren
dan honderdduizenden individuen.
In het Belgische debat pleitte ik er uitdrukkelijk
voor om bij deze driehoeksverhouding
ook de particuliere sector te betrekken. Zo
mochten ook de uitzendbureaus dienstencheFrank
Vandenbroucke Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning
VIJF RECEPTEN VOOR BETER WERK
Een intermediair kan de
werkgeversrisico’s opvangen,
een particulier niet
S& D Jaargang 72 Nummer 1 Februari 2015
35
ques uitschrijven. Uiteraard hadden lokale
overheden en non-profitorganisaties een belangrijke
rol te spelen als werkgevers, maar ik
dacht dat de particuliere sector als katalysator
het proces op gang kon brengen.
Dat is ook zo gebleken. In de verplichte jaarlijkse
evaluaties van het stelsel van dienstencheques
wordt veel aandacht gegeven aan de
kwaliteit van het werk, zowel wat betreft arbeidstijdregeling,
loon en opleiding als omkadering.4
Het is duidelijk dat de uitzendbureaus
veel zuiniger zijn met omkadering dan dienstenchequebedrijven
georganiseerd door lokale
besturen. Daarnaast zijn ze meer geneigd
kleine deeltijdbanen aan te bieden en investeren
sommige uitzendkantoren veel minder in
de opleiding van de schoonmaaksters. Dat laatste
is gezien de importantie van opleiding beslist
een pijnpunt. Desalniettemin kan men
volgens mij niet zeggen dat de uitzendsector
geen nuttige actor is op deze markt.
Strikte beperking van activiteiten
Het derde uitgangspunt van het Belgische
dienstenchequesysteem is dat de activiteiten
strikt afgebakend zijn. Uitsluitend particulieren
kunnen er gebruik van maken. Het gaat
om hulp bij het schoonmaken, het bereiden
van maaltijden, wassen en strijken. Enkele
activiteiten zijn ook buiten het huis mogelijk,
zoals het doen van boodschappen en de gebruiker
in een rolstoel rondrijden. De bedoeling
was een nieuwe markt te creëren. Om die
reden hebben we tuinonderhoud buiten beschouwing
gelaten. Dan zouden we namelijk
een reeds bestaande sector subsidiëren.
Ik heb me ook met hand en tand verzet tegen
het vaak terugkerende pleidooi om kinderopvang
‘aan huis’ mogelijk te maken via
dienstencheques. In België zou dat in vergelijking
met de bestaande subsidies voor kinderopvang
bijzonder inefficiënt zijn. De reden
daarvoor is dat wij alleen opvang waarbij kinderen
van verschillende gezinnen samengebracht
worden (bij onthaalouders of in
crèches) subsidiëren. We zetten de dienstencheques
in wanneer dienstverlening uitsluitend
mogelijk is in een één-op-één-relatie tussen
klant en hulp. Een individu kan niet op
hetzelfde ogenblik twee huizen tegelijk
schoonmaken; een onthaalouder kan kinderen
uit twee gezinnen daarentegen wel tegelijk
opvangen.
Nu weet ik dat in Nederland een stelsel van
‘kinderoppas aan huis’ bestaat en dienstencheques
daarvoor dus in principe zouden kunnen
worden ingevoerd. Het is zeer de vraag of
je dat ook moet doen. Er is immers al een kinderopvangmarkt,
het werkt ontwrichtend
voor collectieve vormen van kinderopvang en
het kost veel geld. Wil je dienstencheques betaalbaar
houden, dan kun je ze het best beperken
tot schoonmaken en enkele aanverwante
maar duidelijk afgebakende activiteiten in het
huishouden van particulieren.
Open toegang voor werknemers
Een belangrijk uitgangspunt voor mij was dat
iedereen werknemer moest kunnen worden:
werklozen, niet-werkende vrouwen die niet
officieel werkloos waren, en zwartwerkers die
naar het witte circuit wilden overstappen. Het
was immers de uitdrukkelijke bedoeling om
een einde te maken aan het in België welig
tierende zwarte circuit. Ook mensen uit het
buitenland konden ondanks dat ze nog niet
sociaal verzekerd waren in België meteen aan
de slag.
Omwille van budgettaire besparingen is dit
principe in 2012 teruggeschroefd: 60% van de
nieuwe banen via dienstencheques moet gaan
naar uitkeringsgerechtigde volledig werklozen
of mensen die leven van een leefloon (de
Belgische sociale bijstand). Ik ben niet overtuigd
dat dit verstandig is. De huidige Vlaamse
regering, die in het kader van een nieuwe bevoegdheidsverdeling
de verantwoordelijkheid
voor de dienstencheques in Vlaanderen
nu overneemt, heeft overigens de afschaffing
van deze maatregel aangekondigd.
Frank Vandenbroucke Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning
VIJF RECEPTEN VOOR BETER WERK
S& D Jaargang 72 Nummer 1 Februari 2015
36
Zelfde naam, andere maatregel
De recente belangstelling voor dienstencheques
hangt in Nederland samen met de vergaande
besparingen op huishoudelijke hulp
voor zorgbehoevenden. Om de negatieve
gevolgen van de besparingen op de werkgelegenheid
op te vangen, creëerde het
Nederlandse kabinet daarom in 2014 de Huishoudelijke
Hulp Toelage (HHT). Gemeentebesturen
kunnen met steun van het Rijk zorg
aan personen bekostigen. Intussen werd ook
een Nederlandse Stichting Dienstencheques
opgericht die een technisch instrument aanbiedt
voor de HHT.
De Nederlandse variant is niet vergelijkbaar
met de Belgische dienstencheque. Het
gaat niet om individuele cheques waartegenover
welomlijnde prestaties staan. De dienstverlener
hoeft ook niet aan een aantal voorwaarden
te beantwoorden, zoals een normale
arbeidsovereenkomst. Het gaat om een globale
tegoedpas waarmee Nederlanders diverse
diensten — ook tuin- en klusjesmannen — kunnen
inkopen via hun gemeentebestuur, op
basis van reglementen die het gemeentebestuur
zelf vastlegt. Tegenover een ruime
waaier aan mogelijkheden en behoeften staan
beperkte budgettaire mogelijkheden, waarbinnen
de gemeenten eigen keuzes maken. Er
is geen uniform regelgevend kader, bijvoorbeeld
inzake het type arbeidsovereenkomsten.
Vervanging van zorg?
De Nederlandse context roept wel een ander
debat op, namelijk of dienstencheques geschikt
zijn om hulp te organiseren voor mensen
die zorgafhankelijk zijn. In feite is er in
België een zekere branchevervaging opgetreden,
waarbij dienstencheques ook ingezet
worden om huishoudelijke hulp aan te bieden
aan mensen die in aanmerking komen voor
gesubsidieerde thuiszorg. Aangezien dienstencheques
gefinancierd werden door de federale
overheid en thuiszorg een verantwoordelijkheid
is van de Vlaamse, respectievelijk Franstalige
Gemeenschap, konden de Gemeenschappen
zo de stijgende uitgaven voor thuiszorg
via deze omweg een beetje temperen.5
Binnen de Belgische context is deze branchevervaging
geen wenselijke ontwikkeling:
sociale dienstverlening voor personen die
afhankelijk zijn van zorg beantwoordt aan een
andere maatschappelijke logica en vergt een
ander regelgevend kader dan de dienstencheques.6
Het is nu dus nodig om het domein van
de dienstencheques en dat van de gesubsidieerde
thuiszorg is goed af te bakenen. Mocht
Nederland de cheques willen invoeren, dan
verdient deze overweging nadere uitwerking.
Men kan kiezen voor een overlapping tussen
beide, maar specifieke doelstellingen van het
zorgbeleid mogen daaraan niet opgeofferd
worden.
Prijszetting, rantsoenering en fiscaliteit:
een complex evenwicht
Bij de start hebben we de prijs van de dienstencheques
bewust zeer laag gehouden om aarzelende
gebruikers en potentiële werkgevers te
overtuigen, en de zwarte markt ‘kapot’ te concurreren.
Er was bovendien geen indexeringsformule
gemaakt voor de gebruikersprijs, waardoor
regeringen daarover ad-hocbeslissingen
moesten nemen. Achteraf gezien is dat een fout.
Opeenvolgende regeringen hebben te lang gewacht
om de verbruikersprijs te verhogen. Uiteindelijk
kwamen er toch prijsaanpassingen,
waardoor de prijs — voor een doorsneegebruiker
— vandaag € 9 bedraagt voor de eerste 400
cheques (op jaarbasis) en € 10 voor de volgende
cheques. Het aantal cheques is intussen ook
gerantsoeneerd tot 400 cheques per meerderjarige
persoon in een doorsneegezin.7
Voor de meeste gebruikers liggen de werkelijke
kosten evenwel lager, omdat er een fiscale
aftrek is van 30%. Wie deze fiscale aftrek kan
genieten, betaalt uiteindelijk geen € 9 maar
slechts € 6,30 per uur. De fiscale aftrek was
voor de liberale coalitiepartners in de regeFrank
Vandenbroucke Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning
VIJF RECEPTEN VOOR BETER WERK
S& D Jaargang 72 Nummer 1 Februari 2015
37
ring-Verhofstadt II een ‘conditio sine qua non’.
De koppeling van een fiscaal voordeel aan de
dienstencheques had meer te maken met politieke
symboliek dan met rationaliteit. Het zou
beter geweest zijn het stelsel te lanceren op
basis van een transparante prijszetting vooraf
zonder een fiscale aftrek achteraf.8
Terwijl de prijs van de cheques in vergelijking
met 2004 is gestegen, bleef deze achter
bij de stijging van de loonkosten. Verschillende
factoren droegen bij tot stijgende loonkosten,
onder meer de begrijpelijke vraag van
de vakbonden om de loon- en arbeidsvoorwaarden
verder te verbeteren. Omdat de lonen
sneller stegen dan de som van gebruikersprijs
en subsidies is de winstgevendheid
van de sector onder druk komen te staan.9
Een aantal slecht georganiseerde bedrijven
moest intussen de boeken sluiten. Maar de
dalende winstmarge woog ook zwaarder voor
bedrijven die veel aandacht geven aan omkadering
en opleiding van hun personeel dan
voor werkgevers die daaraan minder belang
hechten. Met andere woorden: de kwaliteit
die het driehoeksmodel in principe garandeert
staat op gespannen voet met een dalende
rendabiliteit bij de intermediaire organisaties.
Opdat het systeem volwaardige
arbeidsplaatsen en een goede omkadering
van het personeel kan blijven garanderen,
moet de som van gebruikersprijs en subsidie
hoog genoeg zijn om stijgende loonkosten en
aanverwante kosten te betalen. Maar de gebruikersprijs
kan niet té hoog worden, anders
neemt de verleiding om mensen zwart te laten
schoonmaken weer toe.
Bijgevolg is een omvangrijke rekening voor
de overheid onvermijdelijk. Een echte oplossing
voor het trilemma van Iversen en Wren is
er niet, wel een verstandige middenweg. De
vraag is of we de rekening voor de gemeenschap
te hoog vinden in verhouding tot het
brede maatschappelijke nut.
Een duur succes?
In de loop van 2012 werkten 151.137 mensen
door de dienstencheques. Dat komt overeen
met 3,4% van de beroepsbevolking in België.10
Omgerekend in voltijdse equivalenten gaat
het ongeveer om 100.000 fulltimebanen. Daarmee
is dit het succesvolste doelgroepgerichte
werkgelegenheidsprogramma ooit. Het betreft
wel haast uitsluitend vrouwen (97,4%).11
Van het gemiddeld aantal laaggeschoolde
vrouwen dat in België aan het werk is doet
25,6% dat nu via dienstencheques; het overeenkomstige
cijfer voor middelbaar geschoolde
vrouwen bedraagt 7,8%.12
Hoewel deze percentages omzichtig geïnterpreteerd
moeten worden, geven ze aan
welk gewicht het stelsel van de dienstencheques
op de Belgische arbeidsmarkt heeft gekregen.
Tegelijkertijd wordt verondersteld dat
het stelsel van dienstencheques het voor een
aantal mensen (opnieuw vrouwen) gemakkelijker
maakt om buitenshuis te werken, waardoor
ook de werkgelegenheid van hooggeschoolde
vrouwen indirect ondersteund
wordt.
Natuurlijk kan niet uitgesloten worden dat
de dienstencheques andere banen verdrongen
hebben, waardoor de uiteindelijke impact
op de arbeidsmarkt minder gunstig is dan de
cijfers doen vermoeden. Het is moeilijk om dit
met zekerheid vast te stellen. Zowel in Nederland
als in België gingen er tot de crisis van
2008 jaarlijks meer vrouwen werken. In België
heeft de sterke groei van de werkgelegenheid
onder laaggeschoolde vrouwen tussen de 25
en 49 jaar in de periode 2006-2008 ongetwijfeld
te maken met het uitrollen van de dienFrank
Vandenbroucke Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning
VIJF RECEPTEN VOOR BETER WERK
De Nederlandse variant is
niet vergelijkbaar met de
Belgische dienstencheque
S& D Jaargang 72 Nummer 1 Februari 2015
38
stencheques. Deze groep krijgt in België en
Nederland na 2008 echter rake klappen. Zo op
het oog hebben de dienstencheques hier dus
geen doorslaggevende rol. Voor de oudere
leeftijdsgroep op de arbeidsmarkt levert de
vergelijking België-Nederland een verschillend
beeld op. In de meest recente periode
houdt de werkzaamheid van hooggeschoolde
en laaggeschoolde vrouwen in de leeftijdsgroep
van 50 tot 64 jaar in België beter stand
dan in Nederland.13
Alles tezamen zijn er dus aanwijzingen dat
het Belgische beleid op dit ogenblik op macroniveau
de werkgelegenheid van vrouwen beter
ondersteunt dan het Nederlandse beleid.
Ik schrijf bewust ‘aanwijzingen’: deze werkzaamheidsgraden
zijn schattingen op basis
van steekproeven, waarmee men voorzichtig
moet omspringen. Bovendien moet erkend
worden dat er in toenemende mate ook middelbaar
geschoolde vrouwen aan het werk zijn
gegaan. Indien deze tendens verder doorzet, is
het de vraag of hier toch geen verdringing
optreedt — van laaggeschoolden door middelbaar
geschoolden en van andere banen die
middelbaar geschoolden hadden gehad als zij
niet hadden schoongemaakt.
Naast het zichtbare effect op de arbeidsmarkt,
is het massaal ‘witten’ van zwarte jobs
een belangrijk pluspunt. De vraag is nu welk
prijskaartje er hangt aan dit succes. De overheid
besteedde in 2012 € 1,6 mrd aan subsidies.
Via de fiscale aftrek werd daarvan € 249 mln
teruggegeven aan de gebruiker. Als je ook nog
wat administratieve organisatiekosten voor
de overheid in rekening brengt, komen de
totale bruto-overheidsuitgaven op € 1,86 mrd
uit. In verhouding tot het Belgische bbp is dit
0,49%.
Het terugverdieneffect voor de overheid
door besparingen in werkloosheid, bijkomende
belastingen en sociale bijdragen wordt
geschat op 44,9% van de totale bruto-overheidsuitgaven.14
Dit betekent dat de overheid
slechts 0,28% van het bbp besteedt aan de ondersteuning
van 151.137 jobs.15 De terugverdieneffecten
zijn moeilijk te berekenen, maar
liggen naar schatting tussen 410 en 546 miljoen
euro.16 Bij de gunstigste veronderstelling
kom je zo uit bij een nettokostprijs die niet
hoger ligt dan 0,13% van het bbp. Men moet
dergelijke berekeningen met omzichtigheid
hanteren. Niet alleen is een aantal terugverdieneffecten
onzeker, ook bij andere overheidsprogramma’s
zijn er belangrijke terugverdieneffecten
en zijn de netto-uitgaven veel
lager dan de bruto-uitgaven.
Bovendien wordt het dienstenchequecircuit
ook ondersteund door algemene maatregelen
die de overheid de voorbije jaren genomen
heeft om laagbetaalde arbeid goedkoper
te maken voor werkgevers. Wat de cijfers wel
illustreren, is dat de hoge bruto-uitgaven de
keerzijde zijn van het feit dat sociale bijdragen
en belastingen in België ook voor mensen die
relatief weinig verdienen relatief hoog zijn. De
Belgische overheid moet schoonmaak zwaar
subsidiëren om particulieren te overtuigen
daarvoor wit te betalen, omdat ze werkgelegenheid
via haar belasting- en bijdragestelsel
duur maakt.
De dienstencheques vormen dus een creatieve
oplossing voor een probleem dat eigen is
aan een welvaartsstaat met een continentale
traditie van dure arbeid en een relatief egalitaire
benadering van de loonpolitiek. Deze
oplossing volgt niet het traditionele NoordEuropese
voorbeeld, waar veel dienstverlening
ontwikkeld werd in de publieke sector.
Ze volgt evenmin het Angelsaksische voorbeeld
van persoonlijke dienstverlening in een
gedereguleerde arbeidsmarkt met kleine banen
en zeer lage of geen minimumlonen. De
dienstencheques vormen in zekere zin een
Frank Vandenbroucke Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning
VIJF RECEPTEN VOOR BETER WERK
Voor het sociale beleid zijn
dienstencheques nuttig
S& D Jaargang 72 Nummer 1 Februari 2015
39
tussenweg. Volledig aan het trilemma ontsnappen
is echter niet mogelijk. De vraag is
daarom of deze middenweg maatschappelijk
gezien de moeite waard is.
Een fijne subsidie voor de rijken?
In de Volkskrant van 10 januari 2014 plaatste Ive
Marx kritische kanttekeningen bij het Belgische
systeem.17 De krant vatte de kritiek samen als
‘een fijne subsidie voor de rijken’.18 Marx benadrukt
dat de gebruikers in belangrijke mate
tweeverdieners met een goed inkomen zijn. De
verhouding tussen wat deze mensen betalen en
wat de samenleving moet ophoesten is volgens
hem scheef. Marx ondersteunt zijn kritiek ook
met de observatie dat vandaag de dag slechts
een minderheid van dienstenchequewerknemers
uit de werkloosheid komt: men was eerst
elders aan de slag of kwam uit het buitenland.19
Ik bekijk dit anders. Allereerst geloof ik niet
dat dit systeem in beweging zou zijn gekomen
indien alleen ex-werklozen geworven konden
worden. Zodra de deur werd opengezet voor
mensen die zwart werkten maar geen werkloosheidsuitkering
ontvingen, kon je niet anders
dan ook mensen aanvaarden die elders
wit aan het werk waren. Los daarvan: bewijst
de vaststelling dat nogal wat mensen hun
baan inruilen voor schoonmaakwerk van de
dienstencheques niet juist dat het gaat om
hoogwaardige banen? En was een goede baan
niet wat we bij de invoering beoogden?
Het gaat hier wellicht om een meningsverschil
over de doelstelling van deze overheidssubsidie.
Wie meent dat een dergelijke omvangrijke
subsidie slechts gerechtvaardigd
kan worden voor een programma dat doorstroming
naar niet-gesubsidieerde banen
organiseert, vindt het wellicht geen goed
punt dat mensen vanuit andere banen kiezen
voor dienstenchequebanen en dat mensen in
het dienstenchequecircuit tewerkgesteld
blijven.
Dienstencheques zijn echter beslist niet
alleen maar een cadeau voor de rijken. Men
moet ze beschouwen als een maatschappelijke
overeenkomst die zowel interessant is
voor de hoogopgeleide tweeverdieners als
voor de lager- en middelbaar geschoolde vrouwen.
Zelfs al zijn de cheques interessant voor
hooggeschoolde tweeverdieners, dan nog
kunnen ze voor het sociaal beleid nuttig zijn.
De vraag is of de lasten en lusten in het globale
sociale beleid zo gespreid zijn over alle
bevolkingsgroepen dat het beleid draagvlak
heeft in de samenleving. Herman Deleeck concludeerde
in de jaren zeventig dat de middenklasse
in een welvaarstaat meer profiteert van
bepaalde sociale voorzieningen dan de sociaal
zwakkeren — het zogenaamde Matteüseffect.
Hij wees er echter tegelijk op dat die programma’s
omwille van het publieke draagvlak een
noodzakelijk evenwicht kunnen vormen met
herverdelingsmaatregelen ten voordele van
de zwakste groepen. De vraag is dus of de Belgische
dienstencheques bijdragen tot een
evenwichtige balans. Ik ben vooralsnog geneigd
te denken dat dit zo is, al kan het qua
herverdeling altijd beter.
Een kwestie van rechtvaardigheid
en erkenning
In deze bijdrage verwees ik naar het bekende
‘trilemma van de diensteneconomie’. Niet
omdat de precieze stelling van Iversen en
Wren uit 1998 vandaag nog universele geldigheid
heeft, maar wel om te beklemtonen dat
we een evenwicht zoeken tussen verschillende
doelstellingen die geen van alle voor 100% gerealiseerd
kunnen worden. Toen de dienstencheques
in België ingevoerd werden, moesten
eerst enkele hardnekkige taboes sneuvelen;
enkele jaren later waren aanpassingen aan de
dienstencheques zelf bijna een taboe.
In mijn ogen gaat het om een instrument
dat voortdurend kritisch beoordeeld moet
worden. De hamvraag is of we meer mensen
met lage scholing een kans kunnen geven op
een fatsoenlijke baan met een volwaardige
inschakeling in de sociale zekerheid. Een
Frank Vandenbroucke Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning
VIJF RECEPTEN VOOR BETER WERK
S& D Jaargang 72 Nummer 1 Februari 2015
40
tweedeling is op termijn een slechte zaak.
Maar het gaat niet alleen om de enge financiële
betekenis. Ten gronde draait het om de
erkenning van de maatschappelijke waarde
van het werk dat door schoonmaaksters geleverd
wordt. De samenleving mag daarvoor
naast de prijs die we aan de gebruikers van
huishoudelijke hulp vragen een collectieve
prijs betalen. Vanzelfsprekend hoort daarbij
een voortdurende kritische afweging van de
verhouding tussen de overheidssubsidie, de
bijdrage van de gebruikers en de maatschappelijke
meerwaarde.
Met dank aan Chris Luigjes, Vincent Corluy, Ive
Marx en Wiemer Salverda voor documentatie en
kritisch commentaar. Zij dragen vanzelfsprekend
geen verantwoordelijkheid voor de tekst. Op de
site van de WBS kunt u een uitgebreide toelichting
op dit artikel vinden.
Noten
1 Torben Iversen & Anna Wren,
‘Equality, employment and
budgetary restraint: the trilemma
of the service economy’,
World Politics, 50.4
(1998), pp. 507-546. Inmiddels
is er over de algemene geldigheid
van de stelling ernstige
twijfel. Wellicht ging het eerder
om een analyse van de
jaren tachtig en negentig dan
om een voorspelling voor de
toekomst.
2 Werknemers kunnen zich
hiervoor vrijwillig extra verzekeren.
In de praktijk blijkt dat
er zowel onder aanbieders als
afnemers weinig kennis is
over de bestaande rechten en
plichten; er wordt dan ook
weinig gebruikgemaakt van
de mogelijkheid om zich aanvullend
te verzekeren (Suzanne
de Visser, Floor Volker,
Ruud Hoevenagel, Auke Witkamp,
Mirjam Engelen, De
markt voor dienstverlening aan
huis. Onderzoek naar vraag- en
aanbodzijde, Panteia, 2014,
p. 92).
3 Advies Commissie ‘Dienstverlening
aan huis’, Dienstverlening
aan huis. Wie betaalt de
rekening?, 2014, p. 5
4 Deze grondige evaluaties gebeuren
jaarlijks door IDEA
Consult en zijn online consulteerbaar.
5 In het kader van de 6de staatshervorming
verschuift de
verantwoordelijkheid voor
dienstencheques van het federale
naar het gewestelijke
niveau, waardoor de context
fundamenteel verandert; de
ruimte ontbreekt om daarop
grondig in te gaan.
6 De ruimte ontbreekt om hier
grondig op in te gaan; zie
Frank Vandenbroucke, Dienstencheques
en het trilemma
van de diensteneconomie, seminarie
Federgon, Brussel, 10
december 2013 (presentatie);
branchevervaging wordt sterk
beklemtoond als een probleem
door Jef Pacolet (HIVA)
in diverse publicaties.
7 De beperking is veel minder
strikt wanneer een lid van het
gezin een handicap heeft,
wanneer het gaat om eenoudergezinnen
en voor bejaarden
die een zgn. ‘tegemoetkoming
voor hulp’ genieten
(grosso modo komt dit erop
neer dat men geïndiceerd is
als zorgafhankelijk en een
eerder laag inkomen heeft).
8 In het Nederlandse debat mag
men er m.i. niet van uitgaan
dat een fiscale aftrek nodig is
bij dienstencheques. De commissie
Dienstverlening aan
huis lijkt het echter wel een
goed idee te vinden. De overheid
bepaalt de totaalprijs, de
producenten kunnen daardoor
hun prijs niet verhogen.
Alleen consumenten profiteren
dus van de fiscale aftrek.
Toch klopt deze redenering
economisch gezien niet helemaal.
Door de fiscale aftrek
zullen immers meer gezinnen
dienstencheques kopen. Hierdoor
groeit de markt, wat
weer ten goede komt van de
schoonmakers en intermediairs.
Of het fiscale voordeel
een ‘logisch’ onderdeel zou
zijn van dergelijk schema, is
daarmee echter niet gezegd:
de hamvraag is hoe hoog de
feitelijke verbruikersprijs is.
Tegelijkertijd ben ik van oordeel
dat de prijs van de dienstencheque
niet per se vastgelegd
hoeft worden door de
overheid. Men zou zich moeten
afvragen wat er zou gebeuren
indien bedrijven kunnen
concurreren via een transparante,
variabele toeslag voor
de gebruikers bij de cheques
die zij zelf vaststellen. In feite
ziet men in België overigens
de ontwikkeling van (min of
meer verkapte) beperkte toeslagen
die sommige bedrijven
berekenen bij hun klanten.
9 Opdat dienstenchequebedrijven
voldoende rendabel zijn,
moeten zij in staat zijn hun
loon- en organisatiekosten te
dekken met de som van (i) de
prijs die de consument betaalt
voor de cheque en (ii) de subsiFrank
Vandenbroucke Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning
VIJF RECEPTEN VOOR BETER WERK
S& D Jaargang 72 Nummer 1 Februari 2015
41
die die de overheid daaraan
toevoegt. De lonen van de
werknemers in de sector stijgen,
in de eerste plaats omwille
van de koppeling van de
lonen aan de index van de
consumptieprijzen, maar ook
omdat de vakbonden (terecht)
ijveren voor loonstijging; in
2012 lag het gemiddelde brutouurloon
met € 10,82 in nominale
termen 23,5% boven het
niveau van 2004; in reële termen
(d.w.z. als we de inflatie
aftrekken) betekent dit een
verhoging van ca. 4%.
10 Zie de Europese Arbeidskrachtenenquête
(Eurostat 2012).
Iedereen die verklaart minstens
één uur lucratieve arbeid
verricht te hebben in de
week voor de enquête wordt
beschouwd als ‘aan het werk’;
het gaat hier dus ook om mensen
met zeer kleine jobs. Men
moet enigszins omzichtig zijn
met de interpretatie van het
percentage van 3,4%, omdat
het gebaseerd is op een breuk
waarvan de teller en de noemer
niet op hetzelfde concept
gebaseerd zijn (de teller omvat
jobs die ‘in de loop van
2012’ geregistreerd zijn; de
noemer is gebaseerd op de
‘gemiddelde werkzaamheid
over 2012’).
11 Ruim de helft van de betrokkenen
(56,3%) is laaggeschoold;
39,2% van de werknemers
heeft een diploma secundair
onderwijs en wordt
daarom beschouwd als middelbaar
geschoold; 4% is hooggeschoold.
12 Cijfers voor 2012, als volgt
geschat: voor de laaggeschoolden
(0,974 x 0,563 x 151.173)/
323.400; voor de middelbaar
geschoolden (0,974 x 0,397 x
151.173)/751.600. Hier geldt
dezelfde opmerking als in de
vorige noot.
13 Op www.wbs.nl staan een
uitgebreide grafiek en een
nadere analyse die dit betoog
illustreren.
14 Deze berekeningen worden
gemaakt door IDEA Consult,
in het kader van de jaarlijkse
evaluatie van het stelsel.
15 Dit komt in absolute nettotermen
neer op € 6.922 per werknemer
per jaar.
16 Het is dit laatste cijfer waarop
de PwC-studie Nieuwe werkgelegenheid
voor laagopgeleiden.
De waarde van dienstencheques
voor Nederland (september
2013), in opdracht van het
Nederlandse Vebego, zich
beroept om te stellen dat er
een totaal budgettair terugverdieneffect
is van ca. 70%.
Dit is dus een maximaal cijfer.
17 Zie www.volkskrant.nl/opinie/dienstencheque-isfijne-subsidie-voor-de-rijken~a3575312/
18 Voor een uitgebreidere analyse,
zie Ive Marx en Dieter
Vandelannoote, ‘Want aan
eenieder die heeft, zal gegeven
worden: het Belgische
systeem van dienstencheques’,
in Belgisch Tijdschrift
voor Sociale Zekerheid, 2de
trimester 2014.
19 De meeste werknemers zijn
Belgen (71,7%), maar 20,1% zijn
Europese burgers van buiten
België, en 8,2% is afkomstig
van buiten de Europese Unie.
Frank Vandenbroucke Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning
VIJF RECEPTEN VOOR BETER WERK
1
Bijlage bij dienstencheques: een vraagstuk van
erkenning
FRANK VANDENBROUCKE
In deze bijlage brengen we de ontwikkeling van het aantal werkende vrouwen in België, Nederland en
de vijftien EU-landen, die in 2000 al lid waren, van 1998 tot 2014 in kaart. We doen dat aan de hand
van de Europese Arbeidskrachtenenquête (LFS) die gepubliceerd is door Eurostat. Het gaat om
schattingen op basis van steekproeven doormiddel van bevolkingsenquêtes. Het aantal 25 tot 64
jarigen dat zegt in de week voor de enquête minstens één uur lucratief werk verricht te hebben wordt
gedeeld door het totale aantal mensen in deze leeftijdsgroep. Met andere woorden: losse klusjes,
parttime- en fulltimebanen wegen even zwaar. We nemen voor elk jaar de cijfers van het tweede
kwartaal. Bij de vijftien EU-landen is het gemiddelde gewogen, waardoor grote landen zwaarder tellen
dan kleinere.
We starten vanaf 25 jaar, omdat we in deze analyse de bijklussende studenten (met name in
Nederland) niet wilden meenemen. Hoe dan ook is de bevolking tussen 20 en 24 jaar door de
verschillende studiepatronen moeilijk te vergelijken tussen landen.
De Europese Arbeidskrachtenenquête bevat ook gegevens over het soort banen dat mensen
uitoefenen. Zo wordt bijvoorbeeld genoteerd hoeveel mensen verklaren dat ze werken in de
‘schoonmaak’ en ‘zorg’.
1 De combinatie van het totaal aantal werkenden en gegevens over de
hoeveelheid schoonmakers toont de invloed van de dienstencheques op de ontwikkeling van de
werkgelegenheid in Vlaanderen.
Tegelijkertijd illustreren deze cijfers dat het aantal werkzame laaggeschoolde vrouwen zowel in
Nederland als in België aan verandering onderhevig is. Tot 2008 nam de kans dat laaggeschoolde
vrouwen aan het werk waren toe, maar daarna is de werkgelegenheid tussen 25 en 49 jaar gedaald in
beide landen. In Nederland daalt het percentage van werkende laaggeschoolden boven de 50
eveneens.
De cijfers tonen dat het Belgische dienstenchequecircuit in toenemende mate beroep doet op
middelbaar geschoolde vrouwen. Een en ander betekent dat de positie van laaggeschoolde vrouwen
als zodanig in Nederland en België bijzondere aandacht vraagt. Door de toenemende scholing gaat het
om een steeds kleiner wordend segment van de bevolking. Dat ontslaat ons echter niet van de plicht
er grote maatschappelijke aandacht aan te besteden, zowel wat betreft het aantal als de kwaliteit van
de banen.
2
1. Totale beroepsbevolking (mannen en vrouwen) tussen 25 en 64 jaar van alle
opleidingsniveaus
Deze tabel toont de globale beroepsbevolking van België, Nederland en de EU15 voor mannen en
vrouwen. Nederland heeft traditioneel een grote arbeidsmarkt, maar met veel kleine deeltijdbanen.
De kloof tussen Nederland en België is echter iets kleiner geworden. De Belgische arbeidsmarkt heeft
de economische crisis blijkbaar beter doorstaan: het verschil van 9,5% in 2009 is afgenomen tot 5,8%
in 2014. De kloof Nederland-België nam af voor mannen (van 10,7% in 2009 naar 7,3% in 2014) en
vrouwen (van 8,6% naar 4,4%). De inhaalslag was dus sterker bij vrouwen dan bij mannen.
2. Verhouding tussen vrouwen en mannen tussen 25 en 64 jaar
Hier tonen we de verhouding tussen de vrouwen en mannen, dat wil zeggen het aantal werkende
vrouwen als een percentage van de werkende mannen. Men moet deze grafiek voorzichtig
interpreteren: het gaat om een breuk, waarbij in de teller en de noemer telkens een statistisch
betrouwbaarheidsinterval zit. Het beeld dat naar voor komt is dat de werkgelegenheid in alle
Europese landen tijdens de voorbije vijftien jaar sterk gefeminiseerd is; in Nederland en België nog
meer dan elders in Europa. In België is het percentage werkende vrouwen in 2014 nog toegenomen
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
EU15
België
Nederland
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
EU15
België
Nederland
(t.o.v. 2013, maar ook in vergelijking met het peil dat bereikt was in 2008), terwijl het in Nederland
daalde (zelfde vergelijkingsjaren). Daardoor is de feminisering in België uitgesproken sterk op het
einde van de beschouwde periode. Dit suggereert dat het circuit van de dienstencheques één van de
buffers was van de Belgische werkgelegenheid tijdens de crisis. Om vast te stellen of dat echt zo is,
moeten we een meer fijnmazige analyse maken.
3. Werkende vrouwen (25-64) naar opleidingsniveau in percentage van de totale
vrouwelijke bevolking (25-64) in België
Laaggeschoold betekent dat men niet verder is gekomen dan lager secundair onderwijs (in de zgn.
ISCED-classificatie komt dit overeen met ISCED 0-2); middelbaar geschoold dat men een diploma
heeft van secundair onderwijs of niet-tertiair postsecundair onderwijs (ISCED 3-4); hooggeschoold
dat men met succes tertiair onderwijs gevolgd heeft (ISCED 5-8). Tabel 3 illustreert dat het aantal
werkende laaggeschoolde vrouwen (tussen 25 en 64) in verhouding tot de totale vrouwelijke
bevolking (tussen 25 en 64, alle scholingsniveaus) in België stelselmatig daalt, van 14,3% in 1998 tot
9,5% in 2014.
4. Werkende vrouwen (25-64) naar opleidingsniveau in percentage van de totale
vrouwelijke bevolking (25-64), Nederland
In 1998 was 16,5% van de Nederlandse vrouwen aan het werk én laaggeschoold; in 2014 bedraagt dit
percentage 12,1%. Deze dalende trend weerspiegelt in de eerste plaats de toenemende scholingsgraad
van de bevolking. Het aandeel van laaggeschoolden (aan het werk of niet aan het werk) in de
1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014
hoger
middelbaar
laag
1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014
hoger
middelbaar
laag
vrouwelijke bevolking vermindert stelselmatig. Maar daarnaast speelt ook de kans die laaggeschoolde
vrouwen hebben om aan het werk te zijn een rol.
5. Werkende vrouwen tussen 25 en 49 jaar en 6. tussen 50 en 64 jaar
We onderzoeken dit verder in de volgende tabellen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt op basis van
leeftijd, omdat de dynamiek van de werkgelegenheid in de groep van 25 tot 49 jaar verschilt met die
van 50 tot 64 jaar. In het leeftijdsprofiel van de werkende bevolking zijn belangrijke wijzigingen aan
de gang, om sociologische redenen maar ook omwille van beleid dat vervroegde pensionering
ontmoedigt.2 Tabel 5 toont het percentage werkende vrouwen in de leeftijdsgroep 25-49. Tabel 6
toont die in de leeftijdscategorie 50-64. Deze tabellen illustreren dat er in België weinig vrouwelijke
vijftigplussers werken. Bij de groep 25-49 lijkt België tegen het einde van de periode bijna op
hetzelfde niveau te komen als Nederland. Ook in de leeftijdscategorie 50-64 is er een inhaalbeweging:
de kloof is kleiner in 2014. Dit heeft vooral te maken met de crisisjaren, en is dus misschien een
tijdelijk verschijnsel.
7. Aantal werkende laaggeschoolde vrouwen tussen 25 en 49 jaar
In de volgende tabellen tonen we de percentages binnen deze twee leeftijdsgroepen op basis van het
opleidingsniveau in elke leeftijdsgroep. Tabel 7 toont het percentage werkende laaggeschoolde
vrouwen tussen 25 en 49 jaar. Er wordt geïllustreerd dat het aantal vrouwen in Nederland tussen
1998 en 2002 niet alleen hoger lag maar zich ook beter ontwikkelde dan in België. Als het jaar 2002
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
EU15
België
Nederland
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
EU15
België
Nederland
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
EU15
België
Nederland
als beginpunt wordt genomen, dan kan men tussen 2002 en 2008 echter spreken van een zekere
inhaalslag in België.
3 In beide landen neemt de werkgelegenheid door de crisis af. Terwijl er in België
sprake is van een zeker herstel, lijkt de situatie in Nederland alleen maar te verslechteren. De
ontwikkeling is daardoor gunstiger in België.
In tabel 7 ziet men dat de beoordeling nogal sterk beïnvloed wordt door de jaren die men kiest om de
periodes af te bakenen. Omdat het hier over relatief kleine groepen in de steekproef gaat, is er
bovendien een grote statistische onzekerheidsmarge rond deze schattingen. Het suggereert een
gunstige invloed van de dienstencheques voor Belgische laaggeschoolde vrouwen na 2002, maar
uitsluitsel kan men daarover niet geven. Het stelsel kwam overigens pas in 2004 op gang, wat een
extra reden is om voorzichtig te zijn bij de interpretatie. Als we de Belgische cijfers regionaal
opsplitsen en een onderscheid maken tussen Brussel, Wallonië en Vlaanderen (waar de
dienstencheques een nog sterkere dynamiek kenden dan in Wallonië en Brussel), dan mogen we wel
met grote zekerheid besluiten dat de dienstencheques in Vlaanderen een belangrijke rol gespeeld
hebben in een significante toename tussen 2001 en 2008. We tonen de Vlaamse reeksen hier niet,
maar ze zijn beschikbaar.
8. Aantal middelbaar geschoolde werkende vrouwen tussen 25 en 49 jaar
Nederland doet het hier beter voor 2009 (zowel qua niveau als qua ontwikkeling). Maar na 2009 daalt
het aantal, terwijl het in België blijft toenemen. Verder illustreren we aan de hand van ISCO-cijfers dat
het dienstenchequecircuit daarin een rol kan gespeeld hebben: steeds meer middelbaar geschoolde
vrouwen vonden daarin werk (dit blijkt uit de ISCO-cijfers, waarop ook grafieken 11 en 12 gebaseerd
zijn).
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
EU15
België
Nederland
9. Percentage laaggeschoolde en 10. middelbaar geschoolde werkende vrouwen (50-64)
Boven de leeftijd van 50 zijn Nederlandse vrouwen meer aan het werk dan Belgische. In beide landen
is er een gelijkaardige positieve ontwikkeling van het percentage werkende ouderen, behalve in 2013-
2014. In Nederland daalt de werkgelegenheid van laaggeschoolde oudere vrouwen, wat in België niet
het geval is. Omgekeerd daalt het aantal werkzame middelbaar geschoolde vrouwen in België in 2014,
wat in Nederland niet het geval is. Zoals reeds gezegd moet men bij de interpretatie van deze
schattingen rekening houden met het feit dat er een statistische onzekerheidsmarge is.
11.Aantal vrouwen in de zorg (ISCO 513) en schoonmaak (ISCO 913) als percentage van
de vrouwelijke bevolking 25-64.
De Europese Arbeidskrachtenenquête stelt ook vragen naar de aard van het werk dat mensen doen.
Zo kunnen we becijferen hoeveel vrouwen verklaren te werken in de ‘zorg’ (ISCO categorie 513: ‘child
care and personal care in health services’) en hoeveel vrouwen werken in de ‘schoonmaak’ (ISCO
categorie 913: ‘cleaners and helpers’). In de periode 2000-2010 groeide het percentage vrouwen met
een job in de schoonmaak duidelijk sterker in Vlaanderen dan in Nederland; het effect van de
dienstencheques speelt hier ongetwijfeld.
4 Omgekeerd ligt het percentage vrouwen met een baan in
de zorg, op basis van de verklaringen in de arbeidskrachtenenquête, in Vlaanderen lager dan in
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
EU15
België
Nederland
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
EU15
België
Nederland
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
zorg (513) België
schoonmaak (913)
België
zorg (513) Nederland
schoonmaak (913)
Nederland
Nederland. Bij de interpretatie van deze cijfers moet men er rekening mee houden dat het gaat om
(eventueel kleine) deeltijdbanen en fulltimebanen. Het is best denkbaar dat er meer fulltimebanen in
de zorg in Vlaanderen dan in Nederland zijn.
12.Aandeel laaggeschoolde vrouwen in zorg (ISCO 513) en in schoonmaak (ISCO 913)
In de schoonmaak ligt het aandeel laaggeschoolde vrouwen vanzelfsprekend hoger, wat het belang
bewijst van deze sector als we iets willen doen voor de participatie van laaggeschoolden. Zowel in
Vlaanderen als in Nederland daalt het relatieve aandeel laaggeschoolde vrouwen in schoonmaakbanen
tussen 1998 en 2006; in Vlaanderen zet deze daling zich door na 2006. We weten op basis van
de officiële evaluaties door IDEA Consult dat het aandeel middelbaar geschoolde vrouwen in het
dienstenchequecircuit relatief groot is. Hoewel Nederland en België tot 2006 parallel lijken te
ontwikkelen, mag men toch (voorzichtig) besluiten dat het stelselmatig groeiende aandeel van
middelbaar geschoolde vrouwen in Belgische schoonmaakbanen te maken heeft met de groei van de
dienstencheques.5 Gezien de expansie van het dienstenchequecircuit zou men dit in zekere zin als
onvermijdelijk kunnen beschouwen; het ‘reservoir’ aan laaggeschoolde vrouwen die beschikbaar zijn
voor de arbeidsmarkt wordt kleiner. Anderzijds doet dit de vraag rijzen of het beleid niet sterker moet
inzetten op de specifieke participatiemogelijkheden van laaggeschoolde vrouwen in de schoonmaak
en elders.
Met dank aan Vincent Corluy voor het leveren van data, en Wiemer Salverda en Vincent voor discussie
over de data.
Noten
1 De precieze definities luiden als volgt: ISCO 513: personal care and related workers (including child-care workers, institutionbased
personal care workers, home-based personal care workers, personal care and related workers not elsewhere classified);
ISCO 913: domestic and related helpers, cleaners and launderers (including domestic helpers and cleaners, helpers and cleaners
in offices, hotels and other establishments, hand-launderers and pressers). De ISCO-gegevens zijn geleverd door Vincent Corluy,
op basis van de UDB van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, UA.
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
zorg (513) België
schoonmaak (913)
België
zorg (513) Nederland
schoonmaak (913)
Nederland
In België is de wettelijke pensioenleeftijd voor vrouwen tussen 1996 en 2009 verhoogd van 60 jaar naar 65 jaar. Omdat ook
andere uittredekanalen bestaan dan het wettelijke pensioen, leidt dit niet vanzelfsprekend tot een verhoogde activiteitsgraad,
maar het is een factor die meespeelt, naast maatregelen die genomen zijn om vervroegde uittrede via andere kanalen (met
name het zgn. brugpensioen) af te remmen.
3 Tot 2008 nam het aantal werkenden binnen de groep van laaggeschoolde vrouwen tussen 25 en 49 in beide landen toe,
alhoewel de verhouding tussen het aantal werkende en laaggeschoolde vrouwen en de totale vrouwelijke bevolking door de
stijgende scholingsgraad wel afnam (cf. figuren 5 en 6); nog anders gezegd, de ‘bijdrage’ van laaggeschoolde vrouwen aan het
totaal werkende vrouwenpopulatie daalt over de tijd.
4 Omdat de omschakeling van ISCO-88 naar ISCO-08 voor een breuk zorgt tussen 2010 en 2011, stopt onze reeks in 2010.
5 Het IDEA verslag 2013 (cijfers 2012) geeft de volgende verhouding: 56,3% van de werknemers is laaggeschoold; 39,7% is
middelgeschoold;4,0% is hooggeschoold.